Gemmotherapie kan gezien worden als een bijzondere vorm van de fytotherapie (kruidengeneeskunde), omdat voor de bereiding gebruik wordt gemaakt van plantendelen in de groeifase. Doordat deze plantendelen in de groeifase zijn, bezitten ze maximaal werkzame eigenschappen (hieruit ontstaan immers later de volgroeide planten of bomen).
Meestal worden de knoppen (gemmo) gebruikt die op het punt van openbarsten staan, b.v. Ribes nigrum en Quercus pediculata, maar ook jonge loten (cedri libani, crataegus oxycantha), schors en twijgen (citrus limonum) zaden (betula verrucosa), haarwortels (czea mais) en andere delen kunnen worden gebruikt.
Uit de snel delende weefsels ontstaan extracten met specifieke eigenschappen door de aanwezigheid van plantaardige groeihormonen (o.a. gibberellines en auxines), welke later in de volgroeide plant nauwelijks meer aanwezig zijn. Daarnaast blijken bepaalde aminozuren, enzymen en co-enzymen voor een sterke biologische activiteit verantwoordelijk te zijn, welke specifieker werkzaam kunnen zijn dan extracten uit volgroeide planten.